Wat zeggen die taalniveaus?

De Europese niveaus (A1 tot C2) geven een betrouwbaar beeld van algemene taalbeheersing — van eenvoudige gesprekken (A2) via zelfstandig functioneren (B1/B2) tot bijna-moedertaalniveau (C1/C2). Maar op de werkvloer wordt taal langs twee andere assen beoordeeld: het informele, idiomatische register van de koffieautomaat en de specialistische taal van het vak. Daar ontstaan de misverstanden. Wie hapert in koffiepraat, wordt al snel ook vakinhoudelijk onderschat — en omgekeerd kan iemand met uitstekend algemeen Nederlands nog vaktaal tekortkomen. Het instapniveau hierboven is daarom een oriëntatiepunt, geen oordeel: de intake brengt in kaart wat er op welke as nodig is.